Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
omslag Zeno | omslagbeeld Jan van Veen
paperback 13,5 x 21,5 | omvang 288 bladzijden | isbn 978 90 388 9306 8 | nur 301
VOORWOORD
Ben klein. Weet nog niet wat er allemaal gaat
gebeuren. Moet mijn amandelen nog laten pellen en geweldig boos worden op mijn
moeder. Zij zei dat het niet zo zeer zou doen. Zal nog gaan begrijpen dat ze
dat goed bedoelde.
Ga nog met mijn hoofd op de rand van het zwembad
vallen om een litteken boven mijn wenkbrauw te krijgen en ontelbare
penicillineprikken omdat mijn nieren bloeden en daar geen pleisters voor be
staan. Met ingehouden adem luisteren naar mijn vader als hij dronken thuiskomt.
Soms ben ik kwijt, krijg een reep chocola van een man
die vraagt of ik naar zijn piemel wil kijken. Ben gek op chocola. Moet
kippenvel krijgen als ik een koor hoor zingen. Snap niks van rekenen, eet graag
gestampte muisjes, vind narcissen lekker ruiken. Als ik elf ben mag ik na het
eten tot het donker wordt buiten spelen.
Weet niks van seks, denk dat mijn vader en moeder
stoeien. Heb zin om mee te doen. Wel slaapt mijn pikkie af en toe ook overdag.
Hij lijkt een eigen leven te gaan leiden. Ga met kerstmis boos worden omdat ik
niet de vierde wijze uit het oosten in het kerstspel mag spelen, maar wel
kerstklokje. Ga een honkbal tegen mijn ballen krijgen en naar het ziekenhuis
met een zakbreuk en me afvragen of ik ooit mijn kinderen kan krijgen. Zal mijn
pols op twee plekken breken waardoor mijn viooljuf gaat huilen. God heeft mij
laten liggen terwijl er verder niemand thuis was.
Vaak ben ik kledder, zal duizend voetbalpotjes tegen
blinde muren spelen en de pest in krijgen omdat ik wél op viool en niet op
voetbal len mag. Krijg drie jampotten vol dubbeltjes van oma, en ga de zee zien
die mijn adem beneemt.
Vissen met mijn vader, haakjes niet uit visbekken
krijgen, salaman ders vangen die steeds weer ondanks de gaatjes in het deksel
in mijn jampotjes doodgaan.
Me zondags stierlijk vervelen en nog naar het
Koloniehuis om aan te sterken en mijn eigen spuug moet eten en dood wil gaan,
ik weet niet hoeveel keer ik ‘Here, zegen deze spijzen, amen’ ga zeggen.
Maak een vliegmachine van mijn fiets, snap steeds niks
van rekenen en eet graag witte boterhammen met zoveel pindakaas dat ik er bijna
in stik.
Ik word buitengewoon dienstplichtig. Moet me scheren,
bijna alles lezen en begrijpen, voor het eerst het vliegtuig in en er gelukkig
ook weer uit. De mensen kijken me na, omdat ik liedjes zing en speel en dans
als niemand anders.
Krijg een eerste brief van Wim Kan.
Heb een vriend die Erik heet en een vrouw met wie ik
wil gaan trouwen. Geloof dat zij dat ook met mij wel wil, dat komt goed uit. We
gaan ons eerst verloven. Ga te laat komen uit Tokio voor de geboorte van mijn
dochter, ze wou er zo graag uit en flauwvallen bij het knippen met een schaar
van de dokter in de buik van mijn vrouw als zij een jongetje krijgt.
Het platte dak van onze bungalow zal zwaar van regen
op een maandag in elkaar zakken. Ga verliefd worden op een andere moeder, niet
meer slapen kunnen van paniek, mijn dagboeken verscheuren. Zal op schoolpleinen
altijd wat treuren.
Spelen in Carré, Broadway Amerika, l’Olympia, Parijs,
Berlin Berlin. In Brussel zal ik platjes krijgen. Wil het tellen maar niet
leren, eet flinterdunne zalm en vraag deftig ‘What about the toast?’
De meeste haren gaan verdwijnen. Mijn vader moet een
bypass en nog een en nog een, bij mijn moeder moet, zoals ze zelf zegt, het
kippenhok eruit. Ze is uitgekakeld. Ze wil nog veel seringen zien in de tuin.
Mijn dochter gaat verliefd worden op een vent waar ik wel overheen wil rijden,
een huisarts breekt het hart van mijn vrouw en kan het daarna niet meer helen,
het mijne raak ik kwijt op een grijze middag in Parijs.
Zal malaria krijgen. Een moeder in Manilla geeft mij
haar dode kindje, heilig onverschillig wil ik worden en van ellende en de
liefde blijven zingen. Krijg een Mariabeeldje dat ik levenslang zal kussen.
Rijd een eend dood. Noem hem Alfred Jodocus Kwak. Kom
om in de getallen en eet vooraf het liefste slakken.
Zal een steen uit de Berlijnse muur zingen die een
dierenarts me als dankjewel een week na de val van die muur op de fiets uit
Leipzig komt bezorgen.
Een aangenomen kind verliezen en een jongetje redden
van onder het ijs vandaan.
Vroeger was hier bos en kon je herten zien.
Ben vaker dronken, kan niet snappen wat zoveel mensen
laten lopen.
Moet nog heel vaak huilen om mijn dode vader en
moeder, de oude vrienden. Zal tranen van blijheid in mijn ogen krijgen bij het
zien van de kleinkinderen. De oudste klimt volgende week vrijdag op de kast en
durft er niet meer af. Ik leer hem vliegen. Mijn haar moet wit worden. Zes kilo
minstens wil ik kwijt.
Vroeger had je geloof ik barre winters.
Zeg vaker: ‘Okee, nog ééntje dan.’
Alles lezen en herlezen, de seringen koesteren,
overal nog heen met jou en zingen zingen zingen, te beginnen zoals vroeger in
Vlaanderen.
De winst begrijp ik niet. Verheug me op de frites en
verdronken mosselen in witte wijn.
We gaan naar Moskou en een theater in Soweto bouwen.
Slik vooral ook vitaminepillen. Zing niet de laatste
liedjes, kom in de buurt. Mijn kleinzoon krijgt een dochter met rood haar.
Ga schilderijen maken. De woorden kleuren. Mijn hart
zit vol scheurtjes.
Wacht er een huis van hout in zwarte aarde?
Schrijf dit op, voor ik het vergeet.